Een wandeling door het Voedselbos

Een gesprek met Tom Lorier, coördinator van de Voedseltuin

Het ziet eruit als een rommelig stukje natuur met wilde planten, brandnetels, bomen van allerlei soort en grootte door elkaar. Maar als je met Tom door het Voedselbos van de Voedseltuin loopt ga je stukje bij beetje begrijpen wat hier echt aan de hand is.

Georganiseerde chaos

“Voor buitenstaanders lijkt het chaos,” zegt Tom, “maar het is georganiseerde chaos.” Het Voedselbos is ontworpen naar het principe van een oerbos: een systeem dat zichzelf in stand houdt, zonder dat mensen voortdurend hoeven in te grijpen.

De basis ligt letterlijk onder de grond. In de moestuinbedden wordt de bodem elk seizoen omgewerkt, in het bos niet. We laten de grond met rust, zodat schimmelnetwerken zich goed kunnen ontwikkelen. Die schimmelnetwerken zijn veel meer dan losse draden. Het zijn systemen van communicatie en uitwisseling. Ze sturen water en voedingsstoffen naar waar die nodig zijn en verbinden bomen en planten met elkaar. Hoe ouder en ongestoorder het bos, hoe groter en effectiever dat netwerk.

Om dat proces te versnellen voegen we ieder najaar bladeren toe die we van de gemeente krijgen, en compost uit de eigen biomeiler. “Je simuleert daarmee wat er in een oud bos gebeurt.” legt Tom uit. “Onze bomen zijn nog jong en verliezen zelf niet genoeg blad. Dus je doet alsof er al grote bomen omheen staan.” Snoeien en oogsten mag. Schoffelen niet.

 

 

En wat valt er te proeven?

Alles in het Voedselbos staat er met een reden. Vaak omdat het eetbaar is.

De meidoorn geeft in het voorjaar bloesem voor bestuivers en in het najaar bessen voor vogels én mensen. Van de bessen maken we ketchup, of we voegen ze toe aan jam. De duindoorn, waarvan dit najaar flink geoogst is, zit boordevol vitamine C. Niet lekker genoeg om zo te eten, maar verwerkt in sap of siroop is het een echte aanwinst. En de duindoorn doet nog iets bijzonders: hij bindt stikstof uit de lucht en geeft dat terug aan de bodem.

Dan is er de wolmispel, een plant die in de winter bloeit en in het voorjaar vrucht geeft. Precies omgekeerd van wat je verwacht. In Portugal vind je ze gewoon op de markt. Hier is het een verrassing. En daar heb je de Szechuanpeper, die alle smaken tegelijk heeft. Zuur, bitter, met een vleugje zoet. Een Chinese vrijwilligster die hier werkte wist meteen enthousiast wat ze ermee moest doen. Wij zijn nog een beetje aan het zoeken. “Elk jaar begrijp je hem een beetje beter.”

Verder staan er pruimen, peren, een dwergappel, kersen, hazelnoten, een gojibessenstruik, een olijfboom die al stond vóór het bos er was, vlierbessen voor bloesem én bessen, en een jonge walnoot waarvan het blad in het voorjaar verrassend fruitig ruikt. En dan is er nog de pijnboom. “Over twintig jaar hebben we onze eigen Rotterdamse pijnboompitten”, zegt Tom lachend.

Hoe is het hier over tien jaar?

Tom hoopt dat de bomen dan hoger zijn, hoog genoeg voor vogels om echt in te nestelen. Nu zijn er wilgen en populieren die al wat hoogte bieden. De rest moet nog groeien. En naarmate het bos groeit, verbreedt het ecosysteem zich richting het getijdenpark, richting het water. Insecten en dieren die daar leven, vinden hier eten. Dieren die hier nestelen, vinden daar rust. “Het vergroot de cirkel”.

Een volwassen voedselbos vraagt weinig meer. Geen schoffelen, geen ingrijpen, alleen oogsten. Dat is de belofte van dit soort bossen: dat de natuur op een gegeven moment het werk overneemt. “Heel bijzonder, dat dit hier nu aan het ontstaan is.”

(Monique Fransen)