Ieder jaar komen we samen met de tuincoördinatoren en vrijwilligers om terug te blikken: hoe was de oogst, hoe verliep het zaaien, wat ging goed en wat kan beter? Die gezamenlijke reflectie is inmiddels een vast moment geworden in het ritme van de tuin en helpt bij het opstellen van het teeltplan voor het nieuwe jaar. Tuincoördinator Lara vertelt hoe dat in z’n werk gaat.
Afgelopen jaar was pittig. De lente en zomer waren uitzonderlijk droog, en de tuin heeft daar flink onder geleden. De hele tuin wordt met gieters bewaterd — arbeidsintensief, maar doeltreffend. Als er wekenlang geen druppel regen valt, wordt dat al snel een enorme klus. Daar komt bij dat onze grond vrij zandig is – de oorspronkelijke fruithaven werd destijds grotendeels met zand opgehoogd – en zand houdt nu eenmaal minder goed water vast. Gelukkig werken we ieder jaar aan het verrijken van de bodem met compost en organisch materiaal. We hopen dat de grond daardoor steeds meer vocht kan vasthouden en weerbaarder wordt tegen droge periodes.

Zoals in eerdere jaren zaten we in de late herfst opnieuw met een betrokken groep vrijwilligers om tafel. Veel bekende punten kwamen terug. De bedden mogen voller, gaten in de beplanting willen we liever voorkomen. Maar er zijn ook verschillen van inzicht – en dat hoort er misschien ook wel bij in een levende tuin.
Zo is er discussie over het wieden. Sommige vrijwilligers vinden dat vrijwel al het ‘onkruid’ verwijderd moet worden, zodat de gewassen voldoende ruimte krijgen. Ook zien zij liever niet dat het gewiede materiaal op de bedden blijft liggen, uit angst dat achtergebleven zaden opnieuw ontkiemen. Anderen pleiten juist voor een zachtere aanpak: bepaalde spontaan opgekomen planten laten staan, omdat ze de bodem bedekken, vocht vasthouden en bescherming bieden tegen uitdroging. In hun visie kan het gewiede materiaal juist op het bed blijven liggen, zodat het ter plekke composteert en voedingsstoffen teruggeeft aan de grond. Want, zo redeneren zij: als een plant ergens opkomt, vertelt dat ook iets over wat de bodem nodig heeft.
Oliver, een van de vrijdagvrijwilligers, bracht het idee in om dit jaar de “drie zusters” te planten: maïs, bonen en pompoen. Deze combinatie, afkomstig uit de landbouwtraditie van inheemse volkeren in Noord-Amerika, vormt een prachtig voorbeeld van wederkerigheid. De maïs biedt steun aan de bonen, de bonen binden stikstof in de bodem, en de pompoen bedekt de grond en helpt vocht vasthouden. Samen versterken ze elkaar. Daarnaast hebben we enkele nieuwe gewassen toegevoegd en soorten geschrapt die vorig jaar minder goed presteerden. De algemene conclusie: er mag best wat meer geplant worden. Wat we niet kwijt kunnen in de bedden, krijgt een plek op onze plantenmarkt en vindt daar een nieuw thuis.
Naast de reflectie met vrijwilligers stemmen we ook af met de Voedselbank, de ontvanger van onze oogst. We vragen wat zij graag in de winkel willen aanbieden. Al onze groenten gaan naar hun winkel, waar mensen met een kleine portemonnee terechtkunnen. Onze tomaten zijn ieder jaar favoriet en altijd snel weg. Ook gangbare groenten zoals paprika, courgette en aubergine zijn zeer welkom.
Hoe maak je zo’n teeltplan?
Bij het maken van een teeltplan hou je rekening met twee dingen: ruimte en tijd. Hoe deel je de tuin in, en wanneer zaai, plant en oogst je wat?

Op de Voedseltuin werken we met cirkels. Elk jaar schuiven we de teelt met de klok mee door – een systeem dat bekendstaat als wisselteelt. Zo geven we de bodem rust en voorkomen we uitputting, bijvoorbeeld door niet twee jaar achter elkaar kolen in dezelfde cirkel te zetten. Ook verkleinen we de kans op ziektes, zoals knolvoet, een bodemziekte waar koolgewassen gevoelig voor zijn.
Daarnaast houden we rekening met een combinatieteelt: goede en minder goede buren. Wortel en ui versterken elkaar; de geur van ui helpt de wortelvlieg op afstand te houden en andersom. Bonen en maïs zijn eveneens een sterke combinatie, omdat bonen stikstof binden waar maïs van profiteert. Minder handig is het om verschillende koolsoorten dicht bij elkaar te zetten, omdat ze gevoelig zijn voor dezelfde bodemziektes.
Een andere uitdaging is zorgen dat de bedden zo min mogelijk leeg staan. Oogst en nieuwe aanplant moeten goed op elkaar aansluiten. In de praktijk gaat dat soms mis – een vak blijft toch even kaal of planten groeien sneller (of langzamer) dan verwacht.
Te weinig planten in een bed is zonde, maar te veel geeft concurrentie om water, zonlicht en voedingsstoffen. Om te berekenen hoeveel planten er in een bed passen, kijken we naar het aantal tegels per cirkel. Onze tegels zijn ongeveer 30 cm lang. Als je weet hoeveel ruimte een plant nodig heeft, kun je vrij precies uitrekenen hoeveel exemplaren er in een bed passen.
Tot slot speelt ook de rassenkeuze een rol. Er zijn bijvoorbeeld tientallen tomatenrassen, elk met hun eigen smaak, groeivorm en gevoeligheid. Dat maakt kiezen leuk, maar ook uitdagend.
Kortom: er komt veel kijken bij het maken van een teeltplan
En zelfs als je overal rekening mee houdt, blijf je afhankelijk van de natuur. We zijn benieuwd wat dit jaar ons zal brengen. Hopelijk wat meer regenbuien, zodat we de gieters af en toe kunnen laten uitrusten – onze schouders zouden dat zeker waarderen.
Nu, eind februari, zijn de nieuwe zaden binnen. Ze zijn gesorteerd, verdeeld en de eerste trays zijn al ingezaaid. Langzaam ontwaakt de tuin uit haar winterrust. Straks steken we onze handen weer in de aarde en zien we hoe uit kleine zaden iets groots groeit. Elk seizoen opnieuw blijft dat een klein wonder.

(Tekst en foto’s Lara Egbring)


